6 juni 2015 om 20u: ‘Zin in een vleugje avontuur?’

Het concert van 6 juni in de Concertstudio van het Conservatorium was er één gekenmerkt door haast onuitputtelijke veelzijdigheid. In telkens wisselende bezettingen stelden muzikanten Eva Debruyne,Toshiyuki Shibata, Frederik Martens en Lisa De Boos, die die zaterdag voor het eerst het podium deelden, zich voor. Zo kregen we twee solo’s, drie duo’s, één trio en een kwartet te horen, waarin componisten van Franse, Belgische en Engelse nationaliteit uit het einde van de negentiende eeuw tot nu vertegenwoordigd waren. Er was zelfs een zeldzame compositie van een vrouwelijke componiste te horen én een heuse première.

Fluitist Toshiyuki Shibata opende het concert met een eerste solowerk van Claude Debussy. Exotische melodieën die besluiteloos van de ene naar de andere ‘windstreek’ voerden, evoceerden de Grieks-mythologische nimf Syrinx die zichzelf in een rietstengel veranderde om de avances van de god Pan te ontvluchten. De dwarsfluit van Shibata stond daarbij symbool voor de klanken van de panfluit die Pan uit de rietstengel sneed. Een gelijkaardige impressie van een instrument dat verwijst naar een inhoudelijk element in de compositie, kregen we te horen in Il Pendolo van Wim Henderickx, momenteel de huiscomponist van deFilharmonie. De contrabas balanceerde er zo af en toe vervaarlijk op zijn pin tijdens onregelmatige metrische accenten, kletterende pizzicato’s, hoge fluittonen en passages waarin contrabassiste Lisa De Boos het instrument volledig leek los te laten om met de vlakke hand op de klankkast te tikken.

Schijnbaar toevallig welluidende samenklanken charmeerden ons in de Sonatine voor fluit en piano van de Franse componist Dutilleux. Met schijnbaar toevallige dis-sonanten leek landgenoot Francis Poulenc dan weer zijn eigen strenge stijl in de Sonate voor hobo en piano te willen relativeren. Een derde duo kwam van de hand van de Belgische componist Joseph Jongen: Prélude, Habanera et Allegro opus 106, een bravourewerk met Spaanse invloeden voor contrabas en piano.

De grootste verrassingen waren telkens het laatste werk van de eerste en tweede helft van het concert. In opdracht van Euterpe componeerde Diederik Glorieux zijn Sonata voor altfluit, Engelse hoorn, contrabas en piano, waarin de eerste drie delen de wonderbaarlijke schoonheid, magie en vreugde van het leven schetsten. Het laatste deel – zo lichtte de componist even vooraf toe – vertegenwoordigde zijn volslagen onvermogen de wreedheden in Belgisch Congo te vatten. Een aangrijpende ‘dodenklacht voor de slachtoffers van Leopold II van België’ was het resultaat. Met de spitsvondigheid van de Engelse componiste Madeleine Dring in haar Trio voor fluit, hobo en piano sloot het concert af.

Sarah Vandemoortele

 

9 mei 2015: ‘Veel te luid’

Concert van Euterpe buiten abonnement, in samenwerking met het Festival van Vlaanderen Kortrijk.

Het maakt deel uit van GoneWest, de culturele herdenking van WOI door de Provincie West-Vlaanderen, waarin artiesten stil staan bij oude en hedendaagse conflicten.

CREATIES

  • Componisten: Erik Desimpelaere (BE) / Frederik Neyrinck(BE) / Diederik Glorieux (BE)
  • Tekst: Flor Declercq (BE)
  • Regie: Wim De Wulf (BE)
  • Verteller: Gust Bossuyt (BE)

Aan de IJzer worden hele generaties aan flarden geschoten. Ondertussen probeert de jonge Coppens een nieuwe tijd bij te benen. Een andere wereld dringt op ramkoers zijn leven binnen: opeens zijn er vliegtuigen, men vertelt over duikboten en overal op straat hoor je nu Duits. Tegelijk ziet Coppens dat heldendom nooit wordt zoals de volwassenen het hadden beschreven. De dood krijgt vele gezichten, verliefdheid blijkt ongepast en vriendschap wordt op het spel gezet.

In Veel te luid vertelt een jongen hoe een kapotte wereld hem dwingt rond te kijken en hoe hij afscheid moet nemen van zijn kindertijd in de overtreffende trap van de wereldoorlog.

Hobotrio Astria en blaaskwintet Quintessens vroegen de jonge componisten Erik Desimpelaere, Frederik Neyrinck en Diederik Glorieux om muziek te schrijven voor deze vertelling. Flor Declercq leverde de tekst en regisseur Wim De Wulf brengt alle elementen samen.

     

    26 maart 2015: ‘Bohemia’

    Aanstekelijk Bohemen

    Van een programma van ongeveer anderhalf uur kan men doorgaans niet verwachten dat elk ogenblik een beklijvende indruk nalaat, maar het concert op 26 maart in de Schouwburg van Kortrijk lijkt toch een gestage reeks aan ‘highlights’ aangeleverd te hebben: muziek, muzikanten en componisten waren om het aanstekelijkst.

    Een na een zetten de muzikanten van Het Kamerorkest Brugge hun noot in om het eerste akkoord van het concert op te bouwen: zo openen immers de Vier Transsylvaanse Dansen voor strijkorkest van Sándor Veress. Via een reeks solo’s – achtereenvolgens in de cello, altviool en viool, raakten we al meteen onder de indruk van enkele musici, niet in het minst van violist Barnabás Kelemen, die in 2001 derde werd in de Koningin Elisabethwedstrijd en die op die avond de leiding over het orkest had. Als Hongaar voelde hij dit werk van zijn landgenoot bijzonder goed aan: de heerlijk asymmetrisch geaccentueerde ritmes, de melodieën die het midden hielden tussen een gesproken en gezongen stijl en de virtuoze, opzwepende passages in de laatste dans, de ‘Dobbantos’.

    Van de twintigste eeuw keerden we via de Twee Walsen voor strijkorkest van de Tsjechische componist Antonin Dvorák terug naar de achttiende eeuw, meer bepaald naar Haydns Vioolconcerto nr. 1. Kelemen, die de solopartij voor zijn rekening nam, pakte het speels en lichtjes excentriek aan – best toepasselijk voor een werk van een componist die ooit het staartje van de pruik van een andere koorjongen afknipte. Kelemens spel leek een verklankte vorm van atmosferisch perspectief bij landschapsschilderen: enkele duidelijke ideeën op de voorgrond, hier en daar wat strooilicht op een wazige achtergrond. De versieringen die hij improviseerde, gaven dit alles dan weer een levendige touch.

    Een heel aparte sfeer ging uit van de Kleine Suite voor cello en strijkorkest van de in Kortrijk geboren Belgisch-Zwitserse componist Raymond Vauterin. Boven uiterst inventieve begeleidingspatronen zette celliste Lieselot Watté een diep doorvoelde solopartij neer. Aan de weidse melodielijnen gaf ze krachtige, maar vloeiende wendingen, waarbinnen elke noot zich duidelijk gearticuleerd aftekende en waarbinnen een kernachtige energie richting gaf aan de muziek.

    De Serenade voor strijkorkest van Josef Suk, leerling van Dvorák, vormde het slotstuk van de avond. Na enthousiast applaus kondigde Kelemen het bisnummer, de Dobbantos uit het werk van Veress, aan: “Now maybe it will be so‘Dobbantos’ that it is faster than the first time!” Het orkest voegde prompt de daad bij het woord. Adembenemend!

    Sarah Vandemoortele

    5 februari 2015: ‘Een concert voor fijnproevers’

    Onbekend is onbemind, zullen de Waalse celliste Camille Seghers en de Franse pianist Olivier Laville gedacht hebben. Het solide duo zette voor de eerste helft van het concert een aantal onbekende, maar verrassend herkenbare werken neer. Tijdens de sonate van een piepjonge Henri Duparc bevonden we ons als het ware op dezelfde golflengte van diens leermeester César Franck. Het begin van Beethovens variatiereeks op ‘Bei Männern, welche Liebe fühlen’, een deuntje uit Mozarts klassieker Die Zauberflöte, werd met een grinnik van herkenning onthaald. Met het charmante Adagio en Allegro opus 70 van Robert Schumann sloot het duo de eerste helft van het concert af.

    Doorheen het hele concert verpakte Seghers de muziek in een warme, ronde toon en een regelmatig golvende vibrato. Heel memorabel waren de meditatieve passages in Sjostakovitsj’ cellosonate, het werk dat het volledige tweede deel van het concert vulde. Naar het einde van de eerste beweging toe slaagde het duo erin de stroom van klank en tijd tot een ijzige stilstand te brengen. In het tweede deel brachten ze dan weer het volkse karakter naar voren. Hier duiken ook regelmatig technisch riskante passages op, maar de celliste was niet van de wijs te brengen. Tijdens het derde deel konden we ons laten meedrijven op een langzaam opbouwende spanningsboog. Het laatste deel bewaarde op alle momenten genoeg luchtigheid en transparantie zodat we de drukke textuur met gemak in ons konden opnemen. Als toegift speelde het duo een transcriptie van ‘Sérénade’ uit de liedcyclus Chansons Gaillardes van Francis Poulenc. ‘Eentje om het af te leren’, want voor een laatste ogenblik konden we vertoeven in lyrische gelukzaligheid.

    Sarah Vandemoortele


    5 december 2014: The Great War

    Euterpe mocht de eerste uitvoering programmeren van het nieuwe project van het ensemble Revue Blanche: ‘The Great War’. Bij deze gelegenheid showden ze ook voor het eerst hun nieuwe pakjes: altviolist Kris Hellemans in een salonfähig soldatenuniform, en de drie dames, sopraan Lore Binon , fluitiste Caroline Peeters en harpiste Anouk Sturtewagen, in sierlijke, nachtblauwe gewaden.

    Fluit, harp en altviool, instrumentaal is deze samenstelling vrij zeldzaam en we begrijpen waarom: hier ontbreekt een basinstrument. Misschien mag de altviool dan toch wat prominenter in beeld komen?

    Voor het programma doken ze in teksten en composities die te maken hadden met de Groote Oorlog. Aan de kant van de geallieerden waren dat Ravel, Gurney en Jongen, maar ook de al iets oudere heren Debussy en Granados. Aan Duitse zijde was het aangerichte leed niet minder, wat bleek uit de aangrijpende liederen van Hans Eisler.

    Het werd dan ook een avond vol melancholie. We hoorden de treurzang van een meisje wier jongen ergens aan het front ligt, de klaagzangen van kinderen die alles verloren hadden, het heimwee van soldaten. En een sprankeltje hoop: « Les trois mages de nos pays, ils sont partis /…/ Consolez-vous, les enfants sages, Ils reviendront après l’orage »… Maar waar bleef de opstandigheid, de woede tegen het zinloze geweld ?

    Sopraan Lore Binon zong de teksten loepzuiver, met een warme stem zowel in het hoge als het lage register, en met een bewonderenswaardige beheersing van de zangtechniek. De zaal luisterde ademloos. Het trio dat haar omringde ging helemaal op in de dienende functie.

    Een pluim ook voor Frederik Neyrinck: hij arrangeerde op vaardige wijze en met respect voor het muzikale idioom van het Franse impressionisme een dozijn orkestrale composities van meesters als Ravel, Debussy, Granados, Jongen en Eisler voor het ensemble van altviool, fluit en harp.

    Vic Nachtergaele

    18 oktober 2014: ‘Hou je van hoorn?’

    Voor het openingsconcert van jaargang 2014/15 had Euterpe een sterk duo uitgenodigd: Johannes Fleischmann, viool, en Philippe Raskin, piano. Dat ze internationaal al een stevige reputatie hebben, bewijst hun agenda van die week: woensdag traden ze nog op in Tokyo, drie dagen en een jetlag later bij Euterpe, en de maandag daarop  in Tripoli! Zo’n hectische agenda eist wel zijn tol. Noodgedwongen moesten ze de ‘Sonate voor viool en piano in as’ van L. Janácek schrappen. Het bewijst hun professionele inzet: liever iets schrappen dan ondermaats presteren.

    Het programma bleef veeleisend genoeg. Als je de ‘Sonate voor viool en piano in Es op. 18’  (1887) van R. Strauss hoort, denk je zowaar een symfonisch orkest aan het werk te horen. Fluweelzachte melodieën, passionele passages, triomfantelijke uithalen, zelden krijg je zoveel kleur in één werk aangeboden. Voor velen: een ontdekking in het laat-romantische repertoire!

    Het duo trad verder op met de jonge hoorniste, Emma Van den Ecker. ‘Obsessions’ (1988) van Jan Van der Roost gaf haar de mogelijkheid haar talent ten toon te spreiden. Moeiteloos bracht ze, in dialoog met de piano, de afwisselend dansante en meditatieve thema’s ten gehore.

    Na de pauze werden we nog vergast op een stevige Brahms: het ‘Trio voor viool, hoorn en piano in Es op. 40’, uit 1865. Een vrij zeldzame combinatie van instrumenten! Ook nu kon het publiek genieten van de grote verscheidenheid aan emoties die deze laatromanticus aanbiedt: weemoedige lyriek en forse dynamiek, nostalgie en triomf… Ook hier stond Emma haar mannetje, prima begeleid door een topduo!

    Vic Nachtergaele

    6 juni 2014: Euterpe op bezoek in Nokere

    Voor zijn traditioneel zomerconcert trok Euterpe dit keer naar de fraaie en vrij imposante Ursmaruskerk in Nokere.

    Alles zat mee, het zomerse weer, de locatie, en het programma!

    Sopraan  Liesbeth Devos putte eerst uit het Franse repertoire: liederen van Musset en Van Lerberghe op muziek gezet door August de Boeck, liederen van Verlaine op muziek gezet door Robert Herberigs. Daar zette ze dan liederen van Fr. Schubert en L. Spohr tegenover: romantisme tegenover symbolisme, Sehnsucht en melancholie tegenover dartele speelsheid. Met Sieben frühe Lieder van de jonge A. Berg dook het laat-romantisme dan weer op. Liesbeth werd vakkundig en met veel gevoel begeleid op de piano door Lucas Blondeel en op de klarinet door Annelien Van Wauwe. Wat een talenten!

    Dit bleek nog maar eens uit de Sonate voor klarinet en piano van Fr. Poulenc en de Vier Stücke op. 5 van A. Berg, al trok menig melomaan toch eventjes de wenkbrauwen op bij de ultra korte stukjes van A. Berg.

    Als slot kregen we de virtuoze Variaties op een thema van La Sonnambula van Bellini door O. Nicolai: klarinet en sopraan konden nog eens alle registers opentrekken.

    De muzikanten dankten voor het stormachtige applaus met een stemmig Wiegelied van L. Spohr. En dan waren we welkom in de feestzaal achter de kerk. Een mooie afsluiter van het Euterpe concertjaar.

     

    17 mei 2014: Pianoduo Jatekok

    Op 17 mei stelde Euterpe het Franse pianistenduo Jatekok voor in het kader van het Festival van Vlaanderen. Het duo koos de naam Játékok als eerbetoon  aan G .Kurtàg, de bekende Hongaarse componist (° 1926). Hij schreef een methode voor jonge pianisten die hij de titel Játékok meegaf: Hongaars voor ‘speel!’ En spelen kunnen ze, deze twee jonge dames, Adélaïde Panaget en Naïri Badal! Sedert 2012 verblijven ze in de Muziekkapel Koningin Elisabeth, waar ze de fijne knepen van het samenspel leren onder leiding van het Kwartet Artemis.

    Hun programma stond in het teken van ‘thema met variaties’. Het publiek luisterde ademloos naar het verfijnde samenspel tussen de twee piano’s. Iedereen kwam in de ban van de virtuositeit, het wisselend klankpalet, de gedurfde dynamiek en ritmiek. Ze bewezen ook meerdere stijlen aan te kunnen, of het nu ging om de Variaties op een thema van Haydn door J. Brahms, de Paganinivariaties van W. Lutoslawski of Játékok van G. Kurtàg. Na de pauze brachten ze twee Franse composities: een heerlijk dromerige en sensuele Prélude à l’après-midi d’un faune, en een forse Sacre du printemps van I. Stravinsky. Ze slaagden er wonderwel in de grillige ritmes te beheersen en de klankkleur van de instrumenten van het orkest te imiteren.

    De Franse pers noemt dit duo “l’une des plus belles promesses dans le domaine de la musique de chambre”. Meer dan terecht !

    4 april 2014: ‘Verlaine in muziek’

    Op 4 april organiseerde Euterpe een wat speciaal concert: een confrontatie tussen muziek van Claude Debussy en die van vier hedendaagse Vlaamse componisten: Frank Nuyts, Jan Van der Roost, Jef Neve en Wouter Lenaerts. Net als Debussy destijds, hadden zijn jongere collega’s zich laten inspireren door een aantal gedichten uit de bundel ‘Les Fêtes Galantes’ (1869) van Paul Verlaine.  We kregen dus ook een confrontatie tussen het dichterlijke woord en zang, tussen literatuur en muziek.

    Kurt Van Eeghem praatte het recital mooi aan elkaar, in een fijn, elegant en licht geparfumeerd taalregister dat perfect aansloot bij de gekunstelde verzen van de Franse dichter. Sopraan Emilie De Voght zong de uiteenlopende composities met verbazend gemak.

    Veerle Simoens, cello, en Anouk Sturtewagen, harp, zijn ervaren muzikanten die zich helemaal ten dienste stelden van de zangeres. Het perfecte samenspel tussen zang en instrumenten maakte grote indruk.

    22 februari 2014: Quatuor Zaïde, uit het goede hout gesneden

    In een beroemde passage omschreef Johann Wolfgang von Goethe het strijkkwartet als een “conversatie tussen vier intelligente mannen”. Of dat ook vier intelligente vrouwen mochten zijn, liet de dichter in het midden. Het Quatuor Zaïde liet hier echter geen twijfel meer over bestaan: hun vertolkingen van enkele meesterwerken in het genre waren zowel helder als doorleefd. Na een transparante weergave van Haydns klassieke strijkkwartet op. 50 nr. 6 zorgde het modernistische eerste strijkkwartet van Janácek voor een interessant contrast. Met de fragmentarische elementen van de volksmuziek wist de componist hier een erg mooie spanningsboog te creëren tot aan de onovertroffen slotbeweging, die door het Quatuor Zaïde op buitengewoon intense wijze werd gespeeld. Na de pauze mochten de vier dames hun muzikaliteit en passie uitleven in de romantische muziektaal van Dvoraks dertiende strijkkwartet. Een bekoorlijke beweging uit een Haydn-kwartet als bisnummer liet het publiek in vervoering achter: voor dit concert passen enkel superlatieven.