Euterpe ontvangt Gouden Label van Klassiek Centraal

Terwijl we zelf nog van de verrassing bekomen, laten we graag weten dat Euterpe voor haar organisatie van kamermuziekconcerten een Gouden Label van Klassiek Centraal in ontvangst mocht nemen. We zijn Klassiek Centraal onomwonden dankbaar voor de erkenning en de unieke, onontbeerlijke steun die ze voor het Belgische cultuurwezen en -leven betekenen.

Zowel van de omkadering als van het artistieke niveau bij Euterpe was men onder de indruk. Met name het concert door Julien Libeer en Camille Thomas op 17 oktober 2015 had het hart van de toen bezoekende muziekrecensent veroverd.

Cliché of niet, het blijft een feit dat Euterpe het geluk heeft gehad inmiddels bijna twintig jaar te kunnen rekenen op de inzet en het enthousiasme van vele medewerkers. Dus, beste drank- en bloemenleveranciers, sponsors en vrijwilligers, presentatoren en muzikanten: bedankt, merci & thank you!

—-

Nous en sommes très heureux et aimerions partager avec vous cette bonne nouvelle : Euterpe a reçu lors de la remise des prix de ‘Klassiek Centraal’ dimanche dernier à Anvers, le ‘Label d’Or’ dans la catégorie musique de chambre tant pour son sens de l’organisation que pour la qualité des interprétations.

Le comité de ‘Klassiek Centraal’ a été impressionné par la qualité artistique des musiciens. C’est lors du concert du 17 octobre 2015, avec Julien Libeer et Camille Thomas que leur délégué a été tout à fait émerveillé .

Euterpe peut, et ce depuis bientôt 20 ans, compter sur l‘engagement et l’enthousiasme de tout son comité, sans oublier les sponsors, les bénévoles, les présentateurs, et last but non least, les musiciens et certainement aussi son très fidèle public.

Vive la musique!

18 mei 2016: ‘Tuk op een verrassing?’

Suk, Martinů, Schubert

‘Alle goede dingen komen in drievoud.’ Met die woorden naderde Klara-presentator Sander De Keere het eind van het concert op 18 mei in de Concertstudio. We hadden toen drie verfijnde vertolkingen door drie energieke muziekvirtuozen achter de kiezen en er zou nog een dessert volgen in de vorm van een tango, geschreven door de pianist van het pianotrio Impression, Florestan Bataillie. De twee andere muzikanten van het trio, de zussen Fien en Riet Van den Fonteyne, bestreken beiden met veel bravoure respectievelijk hun viool en cello.

Uniek voor dit concert was de gedeelde mondelinge omkadering door Sander De Keere en Florestan Bataillie. Beide vlotte vertellers gidsten ons door het programma. We vingen dankzij drie mini-interviews met elke muzikant zelfs een glimp op van de repetitiestijl van het trio. De twee zussen – het zal misschien eigen zijn aan zussen – nemen geen blad voor hun mond als het op bekritiseren van elkaars spel aankomt, iets waarvoor Florestan in het begin wel wat terugdeinsde. Toch is een lange samenwerking hen op het lijf geschreven: zoals Fien vertelde, zijn de muzikanten nog lang niet op elkaar uitgekeken. En onze oren zullen nog lang niet uitgeluisterd zijn: frisse programmakeuze, doortastende interpretatie en bruisende synergie – alle goede dingen komen inderdaad in drievoud!

22 april 2016: ‘Kracht gepaard aan elegantie’

Het was als Pandora’s doos die geopend werd – maar dan een doos met enkel goede, onschuldige en charmante geschenken. Het Quatuor Zaïde speelde een Mozart die enge stilistische beperkingen oversteeg. Dankzij hun gedurfde retorische expressie werd Mozart met recht en rede gelinkt aan een barokke schatplichtigheid. En net als Mozarts compositie getuigde de uitvoering van een overvloed aan creatieve ingevingen, onverhoedse contrasten en theatraal karakter. Het buitengewoon snelle tempo tijdens het laatste deel, de vingervlugheid en transparantie konden niet anders dan een weerspiegeling zijn van Mozarts geniale ‘neurologische bedrading’.

Hoeft het gezegd: uitdagingen qua intonatie of tempowisselingen waren ‘piece of cake’ voor het Quatuor Zaïde. Dit bleek ook in Sjostakovitsj’ Zevende strijkkwartet. We werden bovendien in staat gesteld de muziek van de vier individuele musici vanuit twee perspectieven tegelijk te horen: het perspectief van het individu, dat zich bedreigd weet, en het vogelperspectief van iemand die de groteske onsamenhangendheid tussen de stemmen overschouwt – want zo mag dit ietwat bevreemdende werk van Sjostakovitsj wellicht wel klinken.

In Schumanns pianokwintet werd het Quatuor Zaïde vervoegd door pianiste Beatrice Rana, een rasmuzikante die doet wat ze wil en niets meer of minder wil dan wat natuurlijk is. Het marsdeel uit deze compositie getuigde van een bijzonder goed uitgedachte gelaagdheid, balans en articulatie. De frasering miste zijn effect niet: een priemende vinger leek zich te richten op een onverdraaglijk verdriet, dat even later in volle berusting wegebde. De delen die volgden, waren een ontlading van de heftigste energie en het doordringendste enthousiasme. Quatuor Zaïde en Beatrice Rana scoorden op muzikaal-interpretatief vlak telkens opnieuw, tot de laatste noot!

19 februari 2016: ‘Niet zomaar concerto’s’

Met een voltallig symfonisch orkest op de planken bruiste het vorige Euterpeconcert van jeugdige muzikale energie. Het symfonisch orkest van LUCA School of Arts campus Lemmens, onder leiding van dirigent Ivan Meylemans, ondersteunde eerst pianist Liebrecht Vanbeckevoort in Brahms’ Eerste pianoconcerto en schitterde daarna zelf in Lutoslawski’s Concerto voor orkest.

Het werk van Brahms, een symfonisch opgevat concerto, bleek in de loop van zijn geschiedenis voor vele luisteraars – zelfs voor geoefende oren – moeilijk verteerbaar. Vanbeckevoort zette echter een doorvoelde en intelligent geplande interpretatie neer die veel indruk maakte. De Leuvense studenten bewezen dat ze over uitzonderlijke virtuoze capaciteiten beschikten. Lutoslawski’s Concerto voor Orkest werd een imposant, kleurrijk spektakel waarin elke sectie van het orkest op een hechte manier samenwerkte. Trefzeker en enthousiast stippelden Meylemans en zijn jonge collega’s een onstuimige tocht uit langs bloedstollend snelle passages, ongekend hoge en diepe registers en innig vervlochten melodieën…

4 december 2015: ‘Two ensembles on the Edge of Union’

Een klassiek en een Turks ensemble een gedeelde plek op een klassiek podium geven: in tijden van twijfel over de zin en haalbaarheid van een multiculturele samenleving lijkt het bijna een politiek statement. Misschien tegen beter weten in, zullen sceptici zeggen, want wat precies brengt muziek ons dan bij over een cultuur? De muziek van een andere cultuur is immers weinig toegankelijk voor wie er niet mee opgegroeid is. Aan de andere kant: toegankelijkheid hoeft misschien net geen issue te zijn. Muziek hoeft geen ‘doos met informatie’ te zijn, waartoe de hersenen zich enkel toegang kunnen verschaffen door middel van een culturele code. Muziek schept ook haar eigen omgeving, is haar eigen omgeving, waarvan publiek en muzikanten deel uitmaken en waar verschillende culturen elkaar kunnen ontmoeten.

Het klassiek ensemble deCompagnie en het Lâmekân Ensemble kozen ervoor die ontmoeting tussen twee muzikale werelden te ensceneren en ze door middel van een fictief reisverhaal naar elkaar toe te laten groeien. Samen met het verzonnen personage Paul Alexandre doorliepen we zo drie stadia: in een eerste leerden we de Turkse muziek kennen via de Europese componisten, of ten minste het fantasiebeeld dat zij over die muziek schiepen. Zo hoorden we de muzikanten van deCompagnie in onder andere de Suleika-liederen van Schubert en het rondo ‘Alla Turca’ van Mozart. Daarna trokken we naar het paleis van Selim III om daar geconfronteerd te worden met de échte Osmaanse muziek: heel precies geïntoneerde melodieën, in elkaar verstrengeld door versieringen en tegelijk gespeeld door verschillende instrumenten (ud, viool en een soort hakkebord, vermoedelijk een ‘santoor’).

Tot slot waren we getuige van een getransformeerde Paul Alexandre, die zich in zijn thuisland niet meer zo thuis voelt. Op dit moment beseffen we ook dat Paul Alexandre niet enkel symbool staat voor onszelf als ontdekkende luisteraar, maar even goed voor de componisten en muzikanten van dit concert: al van bij het begin van het concert konden we horen hoe Mathias Coppens de composities, gaande van Rameau tot Rossini, nog net iets meer transformeerde dan strikt noodzakelijk was om de muziek aan te passen aan de bezetting van deCompagnie. De transformatie van beide muzikale werelden was een voldongen feit in ‘Nostalgia’ van Wim Henderickx en tijdens de afsluitende improvisatie door beide ensembles én componisten samen. Van de scheidingen tussen culturen die vandaag als paddenstoelen uit de grond schieten, bleven er op 4 december voor even weinig overeind staan.

Sarah Vandemoortele

 

 

17 oktober 2015: Camille Thomas en Julien Libeer openen nieuw concertseizoen Euterpe

Al achttien werkjaren lang houdt vzw Euterpe in het Kortrijkse de klassieke kamermuziek alive and kicking. Voor het eerste concert van het nieuwe seizoen had de vereniging ‘een sympathiek duo’ aangezocht. En inderdaad, een encore krijg je doorgaans niet elke avond voorgeschoteld. Waarna celliste Camille Thomas en pianoman Julien Libeer met een bij vlagen heerlijke zin voor nuance Beethoven, Franck én Ginastera bij de horens zouden vatten.

Bent u een jong ensemble, met een hart voor kamermuziek en enkele Belgische, misschien zelfs hedendaagse, componisten in het repertoire? Dan is er in de Kortrijkse concertstudio een podium voor u. Want al vele jaren organiseert de vzw Euterpe – de mythologische muze die de dubbele fluit beheerst – concerten aan de boorden van de Leie. De zevenkoppige stuurploeg houdt daarbij, met de steun van talrijke sponsors, mecenassen en vzw SWUK Vlaanderen, op enthousiaste wijze de vinger aan de muzikale pols. Komen dit seizoen onder andere nog langs: het Franse Quatuor Zaïde en pianotrio Impression. Wat een geluk dat de taal der muziek in de verste verte geen grenzen kent.

Ook tijdens het openingsconcert van het negentiende Euterpe-seizoen diende zich een geoliede, Frans-Belgische combo aan: Camille Thomas en Julien Libeer. Sinds vorig seizoen concerteert het tweetal regelmatig samen. Een cd-project zit in de pijplijn. De Franse celliste, met stevige wortels in ons landje, studeerde in Parijs en Berlijn en vervolmaakt zich op dit moment aan de Hochschule für Musik in Weimar. Voor de Belgische pianist Julien Libeer zit zijn verblijf als ‘artist in residence’ aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth er onderhand op. Hij werkte er met Abdel Rahman El Bacha en Maria João Pires, die zich sinds een drietal jaar niet alleen als diens mentor, maar evengoed als manager opwerpt. En dat opent internationaal deuren. Later dit jaar zal Libeer, die in Kortrijk een halve thuismatch speelde, zijn kunnen zelfs in Japan mogen tonen. Reeds in 2012 sleepte de jongeman overigens een Gouden Label aanmoediging in de wacht, en dat na een concert van het Trio Avanesyan dat onze hoofdredacteur in lyriek deed ontsteken.

Markante uitlaatklep

“Muziek kan een krachtige uitlaatklep voor gevoelens en indrukken zijn, maar haar verwoorden in concrete beelden is zich op glad ijs begeven.” Wijze woorden van Euterpe-lid Sarah Vandemoortele uit het boeiende programmaboekje, maar die ondergetekende er niet van weerhielden om toch maar de schaatsen aan te binden. Het muzikale parcours begon nochtans onverwacht atypisch, met als het ware een toemaatje: het laatste Lied ohne Worte in D van Felix Mendelssohn (1845). Het bleek in meerdere opzichten een schot in de roos. Zo kon Libeer van bij de start zijn troeven als omzichtige begeleider uitspelen. Met zijn tactiele spel creëerde hij terstond een juiste balans, daarbij geholpen door een gekortwiekte Steinway. Aan Thomas de even uitdagende taak om de woorden te verzorgen. Kunnen fraseren is een kunst en deze dame durfde het nog eens ook. Eerst zeer smaak- en gevoelvol, maar evenzeer flamboyant brommend wanneer erom verzocht.

Het duo stoomde zo meteen naar een volgend werk door. Welgemeend applaus zou helemaal aan het eind, na een innemende recapitulatie van dit Mendelssohn-preludium, wel volgen. De muzikale frasen vloeiden ook in Beethovens derde cellosonate (1808) van bij aanvang rijkelijk en werden in wat volgde op opmerkelijk genuanceerde wijze gevarieerd. Thomas gleed met evenveel gemak als grinta van de ene naar de andere noot. Libeer reageerde gevat op haar appel, maar liet zich nimmer meeslepen. En toch klonk de doorwerking eens dynamisch urgent, dan prachtig berustend. Gewoon overheerlijk. Samen hielden ze in deze groots opgezette eerste beweging (Allegro ma non tanto) het opzienbarend goede midden tussen heerlijke lyriek, frêle pianissimo’s en de typisch Beethoveniaanse vlagen van robuust temperament. Ook in het vijfdelige scherzo (Allegro molto) bleef het duo zeer knap meester over de puntige partituur. Vooral de manier waarop in de toetsen het initiële thema een laatste keer terugkeerde, maar dan op een ostentatief verslagen – lees: markant ingehouden – manier, was simpelweg briljant. Een knipoog van Libeer aan het adres van zijn muzikale partner later weerklonk al het Adagio cantabile: het anderhalve minuut durende, broze hart van dit schitterende werk. Het werd een enig moment van verstilling. Geen stilte voor de storm, zoals men bij Beethoven allengs zou verwachten, maar wel als inleiding op een speelse finale waarin beide musici vingervlug hun punt maakten en doorheen rallentando’s en crescendo’s naar een zinderend orgelpunt toewerkten (Allegro vivace).

Géén déjà entendu

Was Beethoven niet uniek wanneer hij een trage introductie op een finale componeerde – Mozart deed het hem bijvoorbeeld op geniale wijze in de finale van zijn derde strijkkwintet voor (KV516) – dan vatte César Franck in zijn Sonate pour Piano et Violon ou Violoncelle (1886) een cyclisch concept op. Dat was zo’n beetje het handelsmerk van de Luikse zestiger geworden. Met een zeer fijnzinnige Beethoven nog in het geheugen was het uiteraard vol verwachting uitkijken naar een werk dat door reminiscenties aan elkaar is gevlochten. En het mag gezegd: met Libeer en Thomas groeide Francks score allesbehalve tot een déjà entendu uit. In elk van de vier delen werd de stemming met zin voor momentum gevat: van het doorleefde Allegro ben moderato, die in een eerste climax uitmondde, over het vurig geëngageerde Allegro tot de finesse in de pakkend langzame Fantasia. De laatste beweging, een onmiskenbare oorwurm getiteld Allegretto poco mosso, was er eentje om zeer aandachtig te beluisteren. Prachtig om horen hoe Libeer en Thomas elkaar hier speels op de hielen zaten. En ook al was die eerste tijdens een opvallend stormachtige passage een seconde zijn draad vergeten, een mens gaat er allesbehalve minder plezierig mee van neuriën. Muziek op deze wijze gebracht, wil je steeds opnieuw horen. En waarom dan niet eens opteren voor de versie met viool.

Als rapsodische cliffhanger kreeg een talrijk publiek een Argentijns landschap gepresenteerd. Alberto Ginastera, leermeester van onder andere Astor Piazzolla (1921-1992), inspireerde zich bij het pennen van zijn drie Pampeana’s op de uitgestrekte pampa’s in zijn geboorteland. Voor Thomas het sein om, als volleerde meesteres onder de gaucho’s, nog eens alle timbres van haar Gagliano aan te boren. En dat zijn er wel wat. Ondertussen schudde Libeer het dansante karakter van deze exotische eenakter stevig uit de vingers.

Met vereende kracht verzorgden dit ‘sympathieke duo’, vzw Euterpe en presentatrice Greet Samyn een onvergetelijke avond. Eentje waar met genoegen nog een glaasje op geheven kon worden. Brindiamo!

Tim De Backer

Zie ook: www.klassiek-centraal.be

 

6 juni 2015 om 20u: ‘Zin in een vleugje avontuur?’

Het concert van 6 juni in de Concertstudio van het Conservatorium was er één gekenmerkt door haast onuitputtelijke veelzijdigheid. In telkens wisselende bezettingen stelden muzikanten Eva Debruyne,Toshiyuki Shibata, Frederik Martens en Lisa De Boos, die die zaterdag voor het eerst het podium deelden, zich voor. Zo kregen we twee solo’s, drie duo’s, één trio en een kwartet te horen, waarin componisten van Franse, Belgische en Engelse nationaliteit uit het einde van de negentiende eeuw tot nu vertegenwoordigd waren. Er was zelfs een zeldzame compositie van een vrouwelijke componiste te horen én een heuse première.

Fluitist Toshiyuki Shibata opende het concert met een eerste solowerk van Claude Debussy. Exotische melodieën die besluiteloos van de ene naar de andere ‘windstreek’ voerden, evoceerden de Grieks-mythologische nimf Syrinx die zichzelf in een rietstengel veranderde om de avances van de god Pan te ontvluchten. De dwarsfluit van Shibata stond daarbij symbool voor de klanken van de panfluit die Pan uit de rietstengel sneed. Een gelijkaardige impressie van een instrument dat verwijst naar een inhoudelijk element in de compositie, kregen we te horen in Il Pendolo van Wim Henderickx, momenteel de huiscomponist van deFilharmonie. De contrabas balanceerde er zo af en toe vervaarlijk op zijn pin tijdens onregelmatige metrische accenten, kletterende pizzicato’s, hoge fluittonen en passages waarin contrabassiste Lisa De Boos het instrument volledig leek los te laten om met de vlakke hand op de klankkast te tikken.

Schijnbaar toevallig welluidende samenklanken charmeerden ons in de Sonatine voor fluit en piano van de Franse componist Dutilleux. Met schijnbaar toevallige dis-sonanten leek landgenoot Francis Poulenc dan weer zijn eigen strenge stijl in de Sonate voor hobo en piano te willen relativeren. Een derde duo kwam van de hand van de Belgische componist Joseph Jongen: Prélude, Habanera et Allegro opus 106, een bravourewerk met Spaanse invloeden voor contrabas en piano.

De grootste verrassingen waren telkens het laatste werk van de eerste en tweede helft van het concert. In opdracht van Euterpe componeerde Diederik Glorieux zijn Sonata voor altfluit, Engelse hoorn, contrabas en piano, waarin de eerste drie delen de wonderbaarlijke schoonheid, magie en vreugde van het leven schetsten. Het laatste deel – zo lichtte de componist even vooraf toe – vertegenwoordigde zijn volslagen onvermogen de wreedheden in Belgisch Congo te vatten. Een aangrijpende ‘dodenklacht voor de slachtoffers van Leopold II van België’ was het resultaat. Met de spitsvondigheid van de Engelse componiste Madeleine Dring in haar Trio voor fluit, hobo en piano sloot het concert af.

Sarah Vandemoortele

 

9 mei 2015: ‘Veel te luid’

Concert van Euterpe buiten abonnement, in samenwerking met het Festival van Vlaanderen Kortrijk.

Het maakt deel uit van GoneWest, de culturele herdenking van WOI door de Provincie West-Vlaanderen, waarin artiesten stil staan bij oude en hedendaagse conflicten.

CREATIES

  • Componisten: Erik Desimpelaere (BE) / Frederik Neyrinck(BE) / Diederik Glorieux (BE)
  • Tekst: Flor Declercq (BE)
  • Regie: Wim De Wulf (BE)
  • Verteller: Gust Bossuyt (BE)

Aan de IJzer worden hele generaties aan flarden geschoten. Ondertussen probeert de jonge Coppens een nieuwe tijd bij te benen. Een andere wereld dringt op ramkoers zijn leven binnen: opeens zijn er vliegtuigen, men vertelt over duikboten en overal op straat hoor je nu Duits. Tegelijk ziet Coppens dat heldendom nooit wordt zoals de volwassenen het hadden beschreven. De dood krijgt vele gezichten, verliefdheid blijkt ongepast en vriendschap wordt op het spel gezet.

In Veel te luid vertelt een jongen hoe een kapotte wereld hem dwingt rond te kijken en hoe hij afscheid moet nemen van zijn kindertijd in de overtreffende trap van de wereldoorlog.

Hobotrio Astria en blaaskwintet Quintessens vroegen de jonge componisten Erik Desimpelaere, Frederik Neyrinck en Diederik Glorieux om muziek te schrijven voor deze vertelling. Flor Declercq leverde de tekst en regisseur Wim De Wulf brengt alle elementen samen.

     

    26 maart 2015: ‘Bohemia’

    Aanstekelijk Bohemen

    Van een programma van ongeveer anderhalf uur kan men doorgaans niet verwachten dat elk ogenblik een beklijvende indruk nalaat, maar het concert op 26 maart in de Schouwburg van Kortrijk lijkt toch een gestage reeks aan ‘highlights’ aangeleverd te hebben: muziek, muzikanten en componisten waren om het aanstekelijkst.

    Een na een zetten de muzikanten van Het Kamerorkest Brugge hun noot in om het eerste akkoord van het concert op te bouwen: zo openen immers de Vier Transsylvaanse Dansen voor strijkorkest van Sándor Veress. Via een reeks solo’s – achtereenvolgens in de cello, altviool en viool, raakten we al meteen onder de indruk van enkele musici, niet in het minst van violist Barnabás Kelemen, die in 2001 derde werd in de Koningin Elisabethwedstrijd en die op die avond de leiding over het orkest had. Als Hongaar voelde hij dit werk van zijn landgenoot bijzonder goed aan: de heerlijk asymmetrisch geaccentueerde ritmes, de melodieën die het midden hielden tussen een gesproken en gezongen stijl en de virtuoze, opzwepende passages in de laatste dans, de ‘Dobbantos’.

    Van de twintigste eeuw keerden we via de Twee Walsen voor strijkorkest van de Tsjechische componist Antonin Dvorák terug naar de achttiende eeuw, meer bepaald naar Haydns Vioolconcerto nr. 1. Kelemen, die de solopartij voor zijn rekening nam, pakte het speels en lichtjes excentriek aan – best toepasselijk voor een werk van een componist die ooit het staartje van de pruik van een andere koorjongen afknipte. Kelemens spel leek een verklankte vorm van atmosferisch perspectief bij landschapsschilderen: enkele duidelijke ideeën op de voorgrond, hier en daar wat strooilicht op een wazige achtergrond. De versieringen die hij improviseerde, gaven dit alles dan weer een levendige touch.

    Een heel aparte sfeer ging uit van de Kleine Suite voor cello en strijkorkest van de in Kortrijk geboren Belgisch-Zwitserse componist Raymond Vauterin. Boven uiterst inventieve begeleidingspatronen zette celliste Lieselot Watté een diep doorvoelde solopartij neer. Aan de weidse melodielijnen gaf ze krachtige, maar vloeiende wendingen, waarbinnen elke noot zich duidelijk gearticuleerd aftekende en waarbinnen een kernachtige energie richting gaf aan de muziek.

    De Serenade voor strijkorkest van Josef Suk, leerling van Dvorák, vormde het slotstuk van de avond. Na enthousiast applaus kondigde Kelemen het bisnummer, de Dobbantos uit het werk van Veress, aan: “Now maybe it will be so‘Dobbantos’ that it is faster than the first time!” Het orkest voegde prompt de daad bij het woord. Adembenemend!

    Sarah Vandemoortele

    5 februari 2015: ‘Een concert voor fijnproevers’

    Onbekend is onbemind, zullen de Waalse celliste Camille Seghers en de Franse pianist Olivier Laville gedacht hebben. Het solide duo zette voor de eerste helft van het concert een aantal onbekende, maar verrassend herkenbare werken neer. Tijdens de sonate van een piepjonge Henri Duparc bevonden we ons als het ware op dezelfde golflengte van diens leermeester César Franck. Het begin van Beethovens variatiereeks op ‘Bei Männern, welche Liebe fühlen’, een deuntje uit Mozarts klassieker Die Zauberflöte, werd met een grinnik van herkenning onthaald. Met het charmante Adagio en Allegro opus 70 van Robert Schumann sloot het duo de eerste helft van het concert af.

    Doorheen het hele concert verpakte Seghers de muziek in een warme, ronde toon en een regelmatig golvende vibrato. Heel memorabel waren de meditatieve passages in Sjostakovitsj’ cellosonate, het werk dat het volledige tweede deel van het concert vulde. Naar het einde van de eerste beweging toe slaagde het duo erin de stroom van klank en tijd tot een ijzige stilstand te brengen. In het tweede deel brachten ze dan weer het volkse karakter naar voren. Hier duiken ook regelmatig technisch riskante passages op, maar de celliste was niet van de wijs te brengen. Tijdens het derde deel konden we ons laten meedrijven op een langzaam opbouwende spanningsboog. Het laatste deel bewaarde op alle momenten genoeg luchtigheid en transparantie zodat we de drukke textuur met gemak in ons konden opnemen. Als toegift speelde het duo een transcriptie van ‘Sérénade’ uit de liedcyclus Chansons Gaillardes van Francis Poulenc. ‘Eentje om het af te leren’, want voor een laatste ogenblik konden we vertoeven in lyrische gelukzaligheid.

    Sarah Vandemoortele